Menu

Publicaties

Sporen van wetenschap in de kunst

Sporen van wetenschap in de kunst
Tentoonstelling in het Trippenhuis, 1998
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

In de achterste lichthof van het huis is de hemel daarboven in het vizier maar niet in beeld of gestalte te krijgen, zo torenhoog is het gebouw en betrekkelijk smal de binnenhof. Maar bij Famke van Wijk doet de hemel op andere wijze van zich spreken. Door het poëtische visioen van bazuinen en uitnodigende, uitgestrekte armen en handen. Bazuinen en armen verbonden door een van de vele onzichtbare krachten die de kunstenaar bezig houden: hier de magnetische.

Op drie verdiepingen aan de tweede binnenhof van het Trippenhuis steken aan weerszijden van de vensters bazuinen en armen uit, in elkaars verlengde. Ook twintigste eeuwse ogen ervaren deze architectonische ruimte in een woonhuis, van de begane grond af als zeer hoog en van bovenaf gezien als diep. De lichtruimte is functioneel om de gangen en kamers rondom voldoende aan te lichten. Maar het licht dat in de hof hangt, zonder dat je veel van een hemel waarneemt waaruit het is gedaald, is zelf een grootheid en heeft een eigen karakter. Het is getemperd door zijn duik in de schacht van het gebouw maar in zijn floers heeft het een voorname allure. Deze krijgt hemelser aanzien nu daar instrumenten op de gIasschijven kleven en, nog wonderlijker, handen en onderarmen zich uitstrekken. De klanken van de instrumenten vertolken het hemelse, de uitgestoken handen bemoedigen ons in onze aardsheid. Beiden, nauw met elkaar verbonden, openen een visioen. Etherische energie maakt zich in fysieke vorm aan ons herkenbaar. We zien verschillende geaardheden; de verfijndste stoffen maken zich kenbaar in de schijn van fysiek weefsel. We zijn niet in Emmaus maar de meest sensibele onder ons kijkt misschien vragend en verrast op. Voelt hij zich uitgenodigd?

Goed, we praten over een kunstwerk. Gemaakt door een kunstenares die haar vakmanschap toont in deze eerst gevormde, dan in een mal genegativeerde, tenslotte in polyuretaan (PMC 746) gegoten vormen. Net als de binnenhof ontvangers van licht. De kunstenares voert ons onmiddellijk naar vorm en uiterlijke verschijning: “Er zit klank in het materiaal, het toont de speelsheid van het licht dat er op klatert, het maakt geluiden los.” Maar het meest vervuld Is zij van de aard en betekenissen van de voorwerpen. Zij zijn realistisch verbeeld en als zodanig reproductief, gemaakt van dezelfde substantie, van een overeenkomstig samenstel van moleculen. Het licht infiltreert in de materie. De klank infiltreert in de materie. Bazuin en arm zijn metaforen. Zij zijn verbonden maar verspreid in de ruimte drukken zij zich in tegenstelling uit. Zij hebben elk hun emotionele zelfstandigheid. De serafijnse bazuin komt uit een hogere hiërarchie (lof zingend op het Goddelijke) maar is toch betrokken bij het Iagere. De uitgestoken hand ontkent onze aardsheid niet. Maar de situatie waarin beiden verkeren is metafoor van de menselijke situatie waarin het kennen beperkt is en een sluier over onze geest hangt. Door de sluier weg te nemen zou je de Goddelijke eigenheid ontdekken. Het kunstwerk brengt die situatie voor ogen maar neemt ook deel aan de situatie. Het verkent de leegte. Houdt in zijn gestalte alle betekenissen in zich en leidt naar het materiële en immateriële. Het zichtbare en onzichtbare vloeien In elkaar over. Het maakt transparant in schoonheid, het tracht de werkelijkheid te naderen, kan vermoeden van Goddelijkheid geven maar blijft in materie.

Famke van Wijk kent even goed als collegae die intens bezig zijn met een schilderij, de groei van haar kunstwerk binnen het werk- proces. Een werkwijze die practisch handelen vraagt, maar waarbij ze haar gedachten de Vrije loop kan geven en op nieuwe ideeën komt. Ze heeft een grote interesse voor vakmanschap en vindt die vooral in het verleden, bijvoorbeeld bij schitterend gemaakte wapens waar op het functionele instrument ornament, allegorie of spreuken zijn aangebracht. De superioriteit van een dergelijk vakmanschap spreekt haar aan en ze kan deze dode zaken weer tot leven brengen in haar werk. Zoals gebeurt In het werk dat zij maakte voor de aan Spinoza gewijde tentoonstelling De Steen Vliegt (Arti et Amicitiae, Amsterdam, 1997) waarin het ‘zwaard van de knechtschap een rol speelt, Maar ornament en allegorie als zodanig zeggen haar niets. Haar aandacht gaat uit naar de symboliek die het heilige voorstelbaar maakt. Het specifieke van haar interesse betreft niet de realiteit als een tot een materiële realiteit beperkt gegeven. Ze zegt in vrije wil te kiezen voor God en vanuit die geloofsovertuiging en beslissing ervaart ze in zaken die onbetwistbaar materieel zijn, de immateriële component. Het hoeft niet per se als goddelijk beschouwd te worden om bijvoorbeeld in een kunstwerk de idee werkzaam te zien met een niet aflatende uitwerking, zoals ze bij Goethe leest. Maar ze Is vertrouwder met auteurs die in het aards gebeuren en in het individuele ervaren de weg vinden die naar begrip van het Goddelijke voert. Bij Spinoza is er sprake van een zorgvuldige rationele precisering die ten slotte moet leiden tot een intellectuele liefde tot het bestaande, Daartoe moet een morele strijd geleverd worden. Maar ook bij hem lijkt er bij momenten sprake van het niet-vatbare.

Famke van Wijk is geen intellectueel vorser maar ze heeft in de loop der jaren wel vele geschriften gelezen en daarmee gedachten verzameld van kerkvaders, scholastici, filosofen, esoterische schrijvers, historici die haar tot steun zijn bij de voorstellingen van een mystiek geïnterpreteerde wereld. Haar kunstenaarschap leidt niet tot illustratie van hun voorstellingen. Maar wel inspireren ze haar tot een eigen vertelling met de voor- werpen als ‘attributen Gods’. ‘Je verzamelt je middelen en het moment komt dat daartussen iets gebeurt’. Ze weet zich beeldhouwer en vindt het leuk om beelden te maken die in zichzelf weer die immateriële waarde gaan dragen. Heeft het woord wetenschap voor haar werk enige geldigheid? Is er sprake van een wetenschappelijke waarde? Ze refereert aan een persoonlijke wetenschap. Want buiten de wetenschap kom je toch tot veel feiten en bewijzen. Je kunt een openheid en ontvankelijkheid verwerven waarbij je je verstand kunt ver- heffen boven het voorstelbare, verstandelijke en zintuigelijke. Dat zegt Jacobus.

Het is een opmerkelijk feit in onze tijd dat een kunstenares, religieus van gemoed, haar zeer zelfstandige fantasie het verhaal laat vertellen over wat ze aan de bijbel en zeker ook aan de ge- schriften van filosofische auteurs ontleent.

Wim Beeren

Hommage aan artsen en verpleegkundigen

Westfries Gasthuis in Hoorn, 2004
Stichting Kunst in de Openbare Ruimte STROOM Den Haag

Hommage aan artsen en verpleegkundigen
De bezoeker die in de hal van het ziekenhuis naar het uitzicht op de tuin toeloopt, komt oog in oog te staan met twee levensgrote bronzen hoefdieren. Vlakbij het raam is een rund bezig uit een poel te klauteren. Daarachter staat een schaap op een heuvel toe te kijken. Het schaap heeft horens van gepolijst aluminium, het rund van gepolijst messing. De glanzende horens contrasteren sterk met het doffe, donker gebeitste brons. De beesten krijgen er een bovennatuurlijke uitstraling door, nog versterkt doordat ze ‘s avonds aangelicht worden. Famke van Wijk noemt dit werk Sending the Spirit of Compassion. “Het schaap op de heuvel ziet er op toe dat de os veilig op de oever aankomt”, schrijft de kunstenares in haar toelichting.

Het schaap is een Rackaschaap, een bijzonder schaap met prachtige schroefvormige uitstaande horens, dat eens veel voorkwam van Mesopotamië tot Hongarije, maar dat nu met uitsterven wordt bedreigd. Er grazen er een paar op een dijk bij Scharwoude, niet ver van Hoorn. De naam van dit schapenras doet haar denken aan een Oudgrieks woord voor minachting en beschimping. Zij ziet er een verwijzing in naar het ‘Lam Gods’, naar Jezus, die om zijn heiIsboodschap werd bespot. Jezus offerde zich op om heil te brengen in geestelijk opzicht. Ziekenzorg vraagt ook opoffering, helpt mensen in lichamelijk opzicht, maar ook uit solidariteit. De boodschap is nogmaals uitgebeeld in het reliëf dat kringelt om de horens van de os als het fries op de zuil van Trajanus. In plaats van triomferende Romeinen en overwonnen volkeren gaat hier een stoet van mensen die elkaar de hand reiken. Christus wordt ook wel Heelmeester genoemd”, zegt Famke van Wijk. “Daarmee wordt het beeld een hommage aan de artsen en verpleegkundigen en tegelijkertijd een herinnering aan hun belofte zich in te zetten voor hun naasten.”

De Haagse kunstenares Famke van Wijk (1969) kreeg haar opleiding aan de AKI Academie voor Beeldende Kunst & Vormgeving in Enschede. Zij deed vervolgopleidingen in Nice, Amsterdam en Delphi. Zij maakt emblematische sculpturen en assemblages in metalen en kunststoffen. Als religieus mens zoekt zij de symboliek om het heilige voorstelbaar te maken. In de materiële werkelijkheid van de sculpturale objecten laat zij steeds haar denkbeelden over het immateriële verschijnen, beïnvloed door psalmdichters, kerkvaders, scholastici, filosofen en esoterische schrijvers.

De opdrachtgever was verrukt van het ontwerp en heeft zich ingespannen om de realisatie mogelijk te maken. In de besloten binnentuin is er een mooie plek voor gevonden. Van een afstand treft de sterke ruimtelijke impact van het beeld en van dichtbij intrigeert het fijne modelé en de rijke detaillering. De kunstcommissie had sowieso al voorkeur voor een opzichzelfstaand en symbolisch kunstwerk en voelde zich sterk aangesproken door de ambachtelijke kwaliteit en de verhalende, allegorische aanpak van Famke van Wijk. De kunstenares op haar beurt heeft de kans gekregen en aangegrepen om heel dicht bij haar eigen ‘vrije’ werk te blijven.

Govert Grosfeld

De Steen Vliegt

De Steen Vliegt – Beeldende Verkenning geïnspireerd door Benedictus de Spinoza

Expositie in Arti et Amicitae, Amsterdam 1997

Onder goed versta ik datgene, waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is. (Benedictus de Spinoza, Ethica, IV, definitie1)

Wanneer Famke van Wijk een beeld maakt, wil ze dat dit op ons en wij slaat. Ze maakt kunst vanuit een instelling die het algehele belang voorop stelt en probeert met haar objecten en installaties te appelleren aan universele, voor iedereen geldende waarden. Daarbij fungeren vragen als ‘Wat is het leven’, Wat is de aard van God’ en ‘Wat is rechtvaardigheid’ als katalysator.
In het hoofdwerk van Spinoza, de Ethica, wordt Van Wijk onder meer getroffen door stelling 48: ‘ln de geest is er geen absolute of vrije wil; maar de geest wordt bepaald iets te willen door een oorzaak die ook door een ander is bepaald en deze weer door een andere en zo tot in het oneindige.’
Hoe ga je om met de klemmende vraag wat vrije wil is? Van Wijks eigen stelling hierop is: ‘Mijn eigen vrije wil is te kiezen voor God, en in onontkoombaar noodzakelijk gevolg daarvan, te leven in de Natuur van zijn wil, want weten is gedachten ordenen volgens de natuur der dingen.’

Sinds haar academietijd bestudeert Van Wijk teksten van profeten, dichters, middeleeuwse scholastici, humanistische filosofen en psalmen. Opgeslagen herinneringen aan teksten zoeken vorm in beelden. Toevalligheden ontstaan, maar dat weerhoudt Van Wijk niet van een vorm van controle: zijn de bedachte verbindingen ‘goed’,  is er geen tegenspraak? Vervolgens zoekt ze naar rechtvaardiging van de beelden in de geschriften.
Het gebied van de intuïtie correspondeert voor Van Wijk weliswaar met de ware aard van de mens, maar uiteindelijk dienen de ideeën binnen het beeld ook verstandelijk met elkaar overeen te komen. Ze legt immers de nadruk op het beeld als drager van en boodschap. ‘Het sculpturale is voor mij een inhoudelijk gegeven.  Alle materie is geestelijk.’

Van Wijk heeft een persoonlijke visie op de Ethica, die zij interpreteert als een wetenschappelijke uitleg van de Bijbel. Hetgeen Spinoza op wiskundige manier via het verstand beredeneert, vertelt de Bijbel in tot de verbeelding sprekende symboliek. Daarom is het laatste geschrift uiteindelijk haar grootste referentie punt, maar beide boeken ervaart ze als een aanmoediging tot de bewustwording van het eigen denken.  ‘Je moet letterlijke en figuurlijke zaken kunnen onderscheiden, zoals je goed en kwaad uit elkaar moet houden. Er staan een heleboel feiten in de Bijbel… als je ze gelooft. ‘ (Efeziërs 6, 10-17)

In het werk van Famke van Wijk zijn de voorwerpen ‘attributen Gods’ geworden. Het grond plan voor de studie opdracht is letterlijk overgenomen uit de Ethica. Spinoza geeft daarin met behulp van een tekening van een cirkel aan, dat deze uit afzonderlijke delen bestaan die echter op hun beurt niet zouden bestaan zonder de allesomvattendheid van de cirkel. In het beeld van Van Wijk fungeert de cirkel als platform waarop de mens zich begeeft, alleen rondloopt, maar zich tevens binnen een groter plan bevindt. En zich geconfronteerd ziet met de tastbaar geworden, symbolische modi van God (Denken en Uitgebreidheid). Het zijn voorwerpen ‘voor persoonlijk gebruik’ geworden die, samengebundeld aan en sleutelhanger, met elkaar in verband staan. Je zou ze kunnen pakken: het christelijke, dubbelzijdig zwaard, een zakhorloge aan een ketting waarbinnen de projectie van het verloop van de ongrijpbare maan verschijnt in een vangnet waarmee de ongrijpbare Substantie dient te worden opgevangen. Famke probeert de totaliteit van Spinoza’s filosofie te verbeelden. ‘Wanneer je Spinoza leest, ga je jezelf constant plaatsen binnen zijn wereldbeeld. Maar binnen deze installatie kun je je eigen plaats bepalen, en net als in de Ethica (als je het aandachtig leest) kun je in de geest een open plaats creëren die de eigenlijke vrijheid van de mens laat zien.’

Een detail van het werk wordt gevormd door het zwaard: dit beeld doemde gevoelsmatig op bij Van Wijk naar aanleiding van Spinoza’s omschrijving van de emoties als het ‘knechtschap’. Pas als alle menselijke emoties begrepen worden, wanneer de meis erin slaagt zijn passieve hartstochten om te zetten in actieve, ontstaat een groeiend zelfinzicht. Dit zelfinzicht zal gepaard gaan met inzicht in de logische samenhang van de wereld en de plaats van de mess in dit verband en volgens Spinoza zal dat uiteinde lijk uit monden in een zuivere ‘intellectuele liefde’ tot alles wat bestaat. Maar voor deze gelukzalige staat wordt bereikt, zal een hevige morele strijd moeten worden gestreden. Wat denk je nu? Deze vraag die een verliefd paar eindeloos aan elkaar wil stellen, dwingt Van Wijk indirect af aan de beschouwer. Het gaat haar in eerste instantie niet om de verbeelding van het beeld, maar om de verbeelding die het beeld bij de mensen oproept. Zoals het gebruikte materiaal een middel is om tot het beeld te komen, is het beeld op zichzelf een middel om het redelijk verstand op te wekken.
Pak je in gedachten het zwaard op om allerlei aardse kwesties uit te vechten, of ben je al zover dat je de begrippen goed en kwaad boven het persoonlijk gebruik uit kunt tillen? Geeft de sleutel toegang tot gelukzaligheid?
Het verloop van de maan tikt tijdens je gedachtegang de tijd weg. De tijd die bij Spinoza geen rol lijkt te spelen. Zijn waarheid is noch aan verandering, noch aan ontwikkeling onderworpen, maar geldt voor zichzelf. Het tijdsverloop is niet meer dan een onbepaalde voortzetting’ van het bestaan. Famke: ‘Volgens Spinoza kan door het gebruik van de rede het eeuwige leven verkregen worden. Dus als je je verstand gebruikt…’

Famke van Wijk vertaalt filosofie en theologie in een beladen, maar heldere, leesbare iconografie. Haar beelden zijn puzzelstukken, rijk aan gedachten en hebben te maken met elementaire begrippen als balans, houvast en rechtvaardigheidsgevoel. Het zijn gematerialiseerde metafysische en morele vraagstukken die als hemellichamen om een goddelijke kern draaien. ‘Het mooie van Spinoza is dat hij alles wendt en keert. Daarbinnen moet je steeds in evenwicht zien te komen met je geweten en het kernpunt.’

Muriel Rive

Tuin van Verbeelding 2000

Tuin van Verbeelding 2000
Expositie ter gelegenheid van het 75 jarig Jubileum van het Von Gimborn Arboretum te Doorn

Famke van Wijk laat zich op intuïtieve wijze beïnvloeden door geschriften van kerkvaders,
scholastici, filosofen, esoterische schrijvers en misschien wel vooral -door de bijbel. Dit komt echter niet op een letterlijke of illustratieve manier tot uitdrukking in haar werk, maar zij visualiseert telkens een hoogst persoonlijke metaforische wereld. Haar Christelijke geloofsovertuiging is de drijvende kracht en ze verwijst in haar beelden naar een bovenzinnelijke en spirituele wereld. Famke van Wijk lijkt te zeggen dat de scheiding tussen het materiële en immateriële of het aardse en het hemelse eigenlijk maar betrekkelijk is.
Dit metafysische karakter is eveneens aanwezig in haar beeld voor het Arboretum. Dit geheel in aluminium uitgevoerde beeld stelt een oude boomstam voor met daarboven een tafel met een houtstructuur die 30 cm boven de grond zweeft. In het midden van de tafel net boven de holle boomstam bevindt zich een gat, dat gevuld is met water.
De in de aarde gewortelde boom zou de natuur kunnen vertegenwoordigen en de door de mens vervaardigde zich in hogere sferen bevindende tafel zou als uitdrukking van de cultuur gezien kunnen worden. Maar niets is bij Famke van Wijk alleen waar het in eerste instantie op lijkt. De tafel is per slot van rekening van dezelfde boom gemaakt en daarmee tegelijkertijd natuur. Er lijkt sprake te zijn van elkaar tegenstrevende krachten: de opwaartse viriele kracht van de boom en de neerwaartse (zwaarte)kracht van de tafel. In het gat met het transparante rode water, een symbool van de goddelijke ziel, verzoenen deze voortdurend met elkaar strijdende tegenstellingen zich (materie-geest, natuur-cultuur, mannelijk-vrouwelijk en mens—god.) Het bekertje met hetzelfde transparante ‘bloed’ nodigt de bezoeker uit aan dit louterende proces deel te nemen.
Het gat kan ook opgevat worden als een wond, de tafel als ontleedtafel of als een eucharistietafel. Is de gewonde boom die de tafel draagt en verheft (en daarmee van zijn materiële functie ontdoet) misschien een verbeelding van de dienstbare en lijdende Christus? Ook kan het gat een gevoel van heiligschennis oproepen, omdat een bepaald mysterie zich heeft onthuld.

Hestia Bavelaar

Beeldengallerij Den Haag

Beeldengallerij Den Haag

Geen van de andere sokkelbeelden is zo spiritueel van aard én figuratief als dit beeld van Famke van Wijk (1969). Toch is er geen oud religeus beeld in de Beeldengalerij terecht gekomen. Deze beeldhouwer schuwt religie echter niet. En figuratie al evenmin. Van Wijk heeft een bundel lichtstralen als basis genomen voor haar sculptuur. Boven het midden van die stralen, die het licht van Christus symboliseren, plaatste zij een kroon. Een kroon van mensen die vol eer en aanbidding wachten op de terugkomst van Christus op aarde. Deze liefdevolle, driedimensionale kroon staat in schril contrast met de tweedimensionale doornenkroon die Van Wijk als een fijne lijngravure op de bovenkant van de sokkel heeft aangebracht. Zo laat de beeldhouwer tussen de stralen door zien welk antwoord Christus kreeg op zijn daad van liefde.

Tegenstellingen in materiaal, zoals de ruwe stralen en de gedetailleerde engelen, zijn karakteristiek voor Van Wijks werkwijze. Dat haar thematiek meestal religieus is, heeft te maken met haar geloof. Van Wijk is lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heihgen der Laatste Dagen, beter bekend als mormonen. ‘Ik werk vooral vanuit dromen, maar het geloof is mijn echte inspiratiebron’, vertelde zij in een interview in de Stentor (30-3-2006).

Dat Van Wijk een bijzondere positie inneemt binnen de eigentijdse Nederlandse beeldhouwkunst blijkt ook uit het juryrapport bij de Charlotte van Pallandtprijs, vernoemd naar Nederlands beroemdste beeldhouwster (1898-1997). In 2004 ontving Van Wijk deze tweejaarlijkse prijs ter stimulering van jong beeldhouwerstalent. De jury oordeelde dat ‘haar werk zich onttrekt aan stilistische, expressieve en esthetische categorieën waarmee men in deze tijd bekend en vertrouwd is. Het maakt nieuwsgierig.’

Toen het sokkelbeeld in januari 2011 deel uit ging maken van de Beeldengalerij, kreeg het een plaats tegenover de Nieuwe Kerk aan het Spui. Een toepasselijker plek is niet denkbaar.

De Charlotte van Pallandt prijs

Het Moment Komt
Traditie en intuïtie in het werk van Famke van Wijk

In een interview uit 1994 vertelde Charlotte van Pallandt dat toen zij haar portret van koningin Juliana voltooide, ze het beeld ‘ineens zo anders zag.’ Ze noemde het ‘een heel bijzonder moment, want je bent je ervan bewust dat het gelukt is. Dat blijkt als je het wilt herhalen. Dat blijkt niet meer mogelijk.’ In een toelichting in een catalogus op The Undertone, een werk uit 1998, gemaakt voor het Amsterdamse Trippenhuis, zegt Famke van Wijk: ‘Je verzamelt je middelen en het moment komt dat daartussen iets gebeurt.’ Beide beeldhouwers beschrijven in feite precies hetzelfde fenomeen, waarbij opvalt dat ze ook precies hetzelfde woord gebruiken: moment. Elke kunstenaar kent dit moment. Niet de inspiratie tijdens het maken van een kunstwerk is beslissend, maar het moment waarop je herkent dat het af is, het moment waarop de materie er iets immaterieels bij heeft gekregen. Daarom zeggen kunstenaars zo vaak dat inspiratie niet bestaat. Het maken van kunst is gewoon hard werken: ‘Je verzamelt je middelen’, zoals van Wijk het ronduit prozaïsch uitdrukt. Waar het vervolgens op aankomt, is dat je je open stelt voor de mogelijkheden die zich al werkende aandienen. Alleen op die manier kan de kunst ontstaan.

Levensovertuiging
Zowel bij Charlotte van Pallandt als bij Famke van Wijk zijn kunstenaarschap en levensovertuiging niet te scheiden. Van Pallandt was soefi, van Wijk is christen. Maar meer dan in de kunst van van Pallandt is in de kunst van van Wijk die levensovertuiging direct aanwijsbaar. Dit heeft vooral te maken met het feit dat waar van Pallandt de vorm centraal stelde, van Wijk de inhoud als uitgaanspunt neemt. Van Wijk begint met ideeën en vragen die bij haar opkomen en waaraan zij met haar sculpturen en installaties uitdrukking wil geven. Zij bedient zich daar bij vaak heel bewust van de rijke christelijke beeldtraditie. In haar werk zien we onder andere hemelse trompetten als zinnebeeld voor de glorie Gods, een beker met bloedrood water die verwijst naar Christus’ offerdood, een zwaard als symbool van rechtvaardigheid, een hart als metafoor van onoverwinnelijke liefde en een herder met schapen die de gemeente van gelovigen voorstelt. In andere werken bedenkt ze haar eigen iconografie. Haar meest recente werk toont bijvoorbeeld een onderarm met vuist die vier wolken in zijn greep houdt. Het beeld is gebaseerd op de tekst van Mattheüs 24:31, waarin staat te lezen dat ‘de Mensenzoon’ zijn uitverkorenen van over de hele wereld bij elkaar zal brengen, ‘uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.’

Ongewone combinatie
Het werk van Wijk onderscheidt zich tegelijker tijd van de christelijke traditie door haar vrije, intuïtieve gebruik van bestaande beelden of teksten. Zo staat de genoemde beker met bloedrood water op een zilverkleurige tafel waarin een groot gat zit. Ook in dit gat zit het rode vocht. Het gat blijkt het binnenste te zijn van een grote boomstronk, die van het zelfde zilverkleurige materiaal is gemaakt en waarmee de zwevende tafel onlosmakelijk is verbonden. Deze ongewone combinatie van beeld elementen brengt een stroom van associaties op gang, waarbij de gevulde beker als het ware voor een “kick start” zorgt: meteen is er die gedachte aan de offerdood. Maar wie of wat wordt er geofferd? Is het de natuur, de boom, die door de mens tot tafel, tot cultuur wordt gemaakt? Of is het juist de mens, die zich door de dood geworteld weet in de natuur? “Is de gewonde boom die de tafel draagt en verheft (en daarmee van zijn materiële functie ontdoet) misschien een verbeelding van de dienstbare en lijdende Christus?” vraagt Hestia Bavelaar zich af in een beschouwing van het kunstwerk. Een definitief of eenduidig antwoord op deze vragen is er niet. De traditioneel christelijke iconografie wordt door van Wijk op een heel persoonlijke manier geïnterpreteerd, maar laat daarbij volop ruite voor allerlei andere interpretaties – ook van haar zelf. Regelmatig verbaast ze zich over nieuwe betekenissen die uit haar werk oprijzen, zonder dat die er bewust in zijn gestopt. Het is net als met de dichter die zijn eigen gedicht herleest en merkt dat de woorden eigenlijk over iets heel anders gaan dan hij zelf dacht. En dat is precies de magie waarnaar een kunstenaar op zoek is: een scheppende kracht waarvan hij weliswaar dankbaar gebruik maakt, maar die hij ervaart als iets dat grotendeels buiten hemzelf licht.

Grote verbanden
Behalve teksten uit de bijbel gebruikt Famke van Wijk ook teksten van kerkvaders, scholastici, filosofen en historici. Maar ondanks die belezenheid wil ze zichzelf geen intellectueel noemen. Daarvoor is ze niet wetenschappelijk genoeg onderlegd. De teksten zijn een middel om haar eigen gedachten te toetsen en te ontwikkelen,zonder dat ze zich daarbij erg bekommerd over de wetenschappelijk juistheid van haar brongebruik. Uiteindelijk is het haar immers te doen om het kunstwerk dat de studies haar opleveren. Je zou dit eclectisch kunnen noemen, maar dan wel zonder de ironische bijbedoelingen die dit begrip sinds de uitvinding van het postmodernisme automatisch schijnen aan te kleven. Het eclectische van van Wijk’s kunst is namelijk geen commentaar op, maar een zoeken naar authenticiteit – niet als stijlkenmerk maar een zeggingskracht die het individuele kunstwerk overstijgt en appelleert aan veel grotere, universele of zelfs mystieke verbanden. Wat die grote verbanden aangaat, is er trouwens weer een opvallende parallel te trekken met van Pallandt, dat wil zeggen met de manier waarop zij met vormen omging. “Ne pas trop analyser”, noteerde van Pallandt in een van haar schetsboeken. “Ça va pour un moment + ensuite il faut simplifier + voir en grand.”

Feico Hoekstra