Menu

De Ontknoping

De Ontknoping  2001

Massief gegoten aluminium, geverfd.

1 Oneindigheidsteken 2.10 meter breed, 80 cm hoog, lont-dikte/ diameter 12 cm.
1 Lontslot-musket 2.10 meter breed, 70 cm hoog, volume (dikste deel) 25 cm.
1 Rookpluim 1.50 meter breed, 2.10 meter hoog, 80 cm diep.
2 Stukken Lont – 1 stuk van 5 meter, 1 stuk van 7 meter, Diameter 12 cm.

 

Deze  installatie/ beeldengroep laat een Lontslot-musket uit 1611 zien ( veel gebruikt in de Tachtigjarige Oorlog ), met een verbogen loop, welke het eindige en het tijdelijke symboliseert. Loodrecht daarop is een lont in de vorm van een liggende achtlus te zien die het oneindige symboliseert. Het totaal 12 meter lange, slingerende aangestoken lont met rookpluim reikt langs hoogtes en heuvels alsof zij wil uitstijgen boven al het aardse gedruis.

De voorzienigheid grijpt in, maakt een einde aan de loop der dingen, onderbreekt lange processen, en geeft ze daardoor ook weer een nieuw begin. Dit blijkt uit de oorlogsverwikkelingen tussen de Watergeuzen en de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige oorlog. (zie bijgevoegde tekst hieronder uit Archief Amsterdam.) In opdracht van Filips de 2e  Koning van Spanje betrok Alva zijn natuurlijke zoon Don Frederick bij de strijd tegen de Nederlandse Opstand onder leiding van Prins Willem van Oranje. Spanje kreeg echter te maken met een opkomende maritieme mogendheid; de ‘Republiek der Zeven verenigde Nederlanden.

 

“Dan nadert Don Toledo aan het hoofd van de strafexpeditie , die het afvallige Holland tuchtigen zal, Zutphen is reeds uitgemoord, door het Gooi rukt het Spaanse leger op naar Amsterdam. Naarden boet zwaar voor zijn opstandigheid. En onder die omstandigheden raken de schepen van de Geuzen bij Pampus vast in het ijs. Dat ziet er donker uit voor de opvarenden. Hun schepen vastgevroren, geen proviand aan boord, en vlakbij het wrekende leger van de Spanjaarden, dat over het ijs heen de schepen even gemakkelijk kan overvallen als het de Gelderse en Hollandse steden heeft gedaan. Men ontbied de watergeuzen om een vaart te “bijten” over Pampus. De kleine schepen worden losgezaagd en onder grote moeite en veel tegenslagen krijgt men ze in Monnikendam binnen. Maar de grote zijn niet te redden. Het ijs kan men wegzagen, maar over de droogte van Pampus krijgt men de schepen bij deze lage waterstand niet heen. “Verbrandt ze maar “ beveelt Geuzenleider Sonoy. Dat kunnen de schepelingen toch niet over hun hart verkrijgen. Men wacht ofschoon zonder hoop. En ziet, als mensen geen uitkomst meer zien, daagt er hulp van boven. Een Noordwester storm snijdt een scheur in het ijs van Pampus af tot aan Hoorn en Enkhuizen toe. Diezelfde wind drijft zoveel water in de Zuiderzee, dat het (water) peil omhoog vliegt en de schepen over alle droogten heen glijden. Ze zeilen zelfs over het zand bij Enkhuizen waar de kleine staalevers niet eens konden varen ! En nauwelijks zijn de schepen in veiligheid of het slaat weer zo hard aan ‘t vriezen, dat de zee weldra even dicht ligt als tevoren. Van verdere achtervolging kon geen sprake meer zijn! Dit was “zegt Admiraal Brandt, een grootachtbare wonderdaad Gods die zijn wapenen van wind en water in dienst stelde tot handhaving van de rechtvaardige zaak”. ( einde citaat Archief )  De vloot van de Geuzen die zo gespaard bleef bezorgde Alva in de zomer zijn eerste nederlaag.

 

Famke van Wijk.